
De kwintencirkel zet de twaalf majeurtoonsoorten op een rij in stappen van een reine kwint en laat in één oogopslag zien hoeveel kruisen of mollen bij een toonsoort horen. Met dat overzicht lees je sneller voortekens af, vind je bij elke toonsoort de bijpassende akkoorden en transponeer je een lied naar een andere toonhoogte. Hieronder laten we zien hoe je de cirkel leest en hoe je hem direct toepast op gitaar en piano.
Kort samengevat:
- Bij kruisen vind je de majeurtoonsoort door vanaf het laatste kruis een halve toon omhoog te gaan; bij mollen is de voorlaatste mol de majeurtoonsoort.
- De akkoorden I, IV en V vormen de kern van de harmonie en liggen op de kwintencirkel direct naast elkaar.
- De volgorde van de kruisen (fis, cis, gis, dis, ais, eis, bis) en de mollen (bes, es, as, des, ges, ces, fes) ligt vast; de mollen zijn precies de omgekeerde volgorde.
- Elke majeurtoonsoort heeft een parallelle mineur met dezelfde voortekens, een kleine terts lager.
- Door de akkoorden te spelen en te transponeren met behulp van de cirkel wordt theorie een praktische vaardigheid.
Opbouw van de kwintencirkel: kruisen, mollen en parallelle mineur
De cirkel bestaat meestal uit twee ringen. De buitenring toont de majeurtoonsoorten, de binnenring de bijbehorende parallelle mineurtoonsoorten. Een parallelle mineur heeft precies dezelfde voortekens als zijn majeurtoonsoort en ligt een kleine terts lager, zoals A-mineur bij C-majeur. (In Engelstalige bronnen heet dit de relative minor; in het Nederlands spreken we van de parallelle toonsoort.)
Vanuit C-majeur, bovenaan de cirkel, voegt elke stap rechtsom (een kwint omhoog) één kruis toe en elke stap linksom (een kwint omlaag) één mol. C-majeur heeft geen voortekens, G-majeur heeft er één (fis) en F-majeur één mol (bes).

Die kruisen en mollen verschijnen in een vaste volgorde, nooit willekeurig:
- Kruisen: fis, cis, gis, dis, ais, eis, bis.
- Mollen: bes, es, as, des, ges, ces, fes.
- Rechtsom komt er steeds één kruis bij, linksom één mol.
Alle toonsoorten op een rij
| Majeur | Voortekens | Welke | Parallelle mineur |
|---|---|---|---|
| C-majeur | geen | A-mineur | |
| G-majeur | 1 kruis | fis | E-mineur |
| D-majeur | 2 kruisen | fis, cis | B-mineur |
| A-majeur | 3 kruisen | fis, cis, gis | Fis-mineur |
| E-majeur | 4 kruisen | fis, cis, gis, dis | Cis-mineur |
| B-majeur | 5 kruisen | fis, cis, gis, dis, ais | Gis-mineur |
| Fis-majeur | 6 kruisen | fis, cis, gis, dis, ais, eis | Dis-mineur |
| Cis-majeur | 7 kruisen | alle zeven, t/m bis | Ais-mineur |
| F-majeur | 1 mol | bes | D-mineur |
| Bes-majeur | 2 mollen | bes, es | G-mineur |
| Es-majeur | 3 mollen | bes, es, as | C-mineur |
| As-majeur | 4 mollen | bes, es, as, des | F-mineur |
| Des-majeur | 5 mollen | bes, es, as, des, ges | Bes-mineur |
| Ges-majeur | 6 mollen | bes, es, as, des, ges, ces | Es-mineur |
| Ces-majeur | 7 mollen | alle zeven, t/m fes | As-mineur |
Onderaan de cirkel overlappen de twee kanten. Fis-majeur (6 kruisen) en Ges-majeur (6 mollen) klinken hetzelfde, net als B-majeur en Ces-majeur, en Cis-majeur en Des-majeur. Dat heet enharmonisch: dezelfde toetsen op de piano, een andere schrijfwijze. Daarom zie je op een cirkel twaalf posities, maar vijftien namen.
Akkoordfamilies via de cirkel: I, IV, V en waarom buurtoonsoorten goed klinken
De kwintencirkel toont niet alleen voortekens, maar ook harmonie. Elke toonsoort heeft drie hoofdakkoorden: het akkoord op de grondtoon (I), op de kwart (IV) en op de kwint (V). Op de cirkel vind je die akkoorden letterlijk naast elkaar: voor C-majeur zijn dat C (I), F (IV) en G (V).
- F staat links van C en heeft de functie van subdominant.
- G staat rechts van C en heeft de functie van dominant.
- Samen vormen C, F en G de meest gebruikte akkoordfamilie in populaire muziek.
Dat werkt in elke toonsoort: pak een toonsoort en de buren links en rechts. In G-majeur zijn dat C, G en D; in D-majeur G, D en A. De drie mineurakkoorden die in de toonsoort passen (II, III en VI) staan in de binnenring direct eronder: in C-majeur zijn dat D-mineur, A-mineur en E-mineur.
Een akkoordenschema met I, IV en V klinkt daarom vanzelfsprekend: C, F, G en terug naar C bouwt spanning op via de dominant G en lost die weer op in de grondtoon. Wil je moduleren naar een andere toonsoort, kies dan bij voorkeur een buurtoonsoort op de cirkel. G en F verschillen maar één voorteken van C, dus een overgang naar een van die twee klinkt natuurlijker dan een sprong naar een toonsoort aan de andere kant van de cirkel. Meer over het opbouwen van zo'n progressie lees je in onze gids over een akkoordenschema maken.
Zo lees je voortekens af en bepaal je snel een toonsoort
Met een paar vaste stappen bepaal je snel in welke toonsoort een stuk staat.
- Tel het aantal kruisen of mollen aan het begin van de notenbalk.
- Bij kruisen: ga vanaf het laatste kruis een halve toon omhoog. Staat het laatste kruis op gis (drie kruisen), dan is de majeurtoonsoort A-majeur.
- Bij mollen: de voorlaatste mol is de majeurtoonsoort. Bij drie mollen (bes, es, as) is dat Es-majeur. Bij één mol moet je het onthouden: F-majeur.
- Zoek de parallelle mineur een kleine terts onder die majeurgrondtoon: dat is de andere mogelijke toonsoort.
- Vergelijk de eerste en vooral de laatste toon en het slotakkoord met beide opties. Zie je in een stuk zonder voortekens steeds een gis opduiken, dan wijst dat sterk op A-mineur (de verhoogde zevende trap van harmonisch mineur).
Transponeren gaat met dezelfde cirkel. Verschuif je een lied van C naar G, dan ga je één stap rechtsom: elke noot en elk akkoord gaat een kwint omhoog (of een kwart omlaag) en de nieuwe toonsoort krijgt één kruis, fis. C, F en G worden zo G, C en D. Meer over het verschil tussen majeur en mineur lees je in toonsoorten begrijpen.
Tip: Speel de drie hoofdakkoorden van de nieuwe toonsoort eerst los op je instrument voordat je het hele stuk transponeert.
Voorbeelden op gitaar en piano
Theorie wordt pas nuttig zodra je hem onder je vingers voelt.
- Gitaar: speel C, F en G als open akkoorden. Wil je hoger uitkomen, gebruik dan een capo: met de capo op de tweede fret klinkt je open C-vorm als D, en C, F, G worden D, G, A. Meer daarover in capo gebruiken op gitaar.
- Piano: bouw een majeurakkoord op door grondtoon, grote terts en kwint te stapelen (C-E-G), en verplaats die vorm naar een andere grondtoon. Let wel op de zwarte toetsen: D-majeur is D-Fis-A, Bes-majeur is Bes-D-F.
- Oefenschema: speel de progressie C, F, G, C vijf keer achter elkaar. Doe daarna hetzelfde in G-majeur (G, C, D, G) en in F-majeur (F, Bes, C, F).
- Herhaal dit dagelijks in een paar toonsoorten, zodat het patroon in je handen zakt.
Voor akkoordschema's per instrument bekijk je ons overzicht van gitaarakkoorden en het piano-akkoordenschema.
Ezelsbruggetjes: handig, maar geen vervanging voor spelen
Het makkelijkste geheugensteuntje zit in de cirkel zelf. De kruisen verschijnen in de volgorde F, C, G, D, A, E, B: dat zijn precies de stappen rechtsom over de cirkel, beginnend bij F. De mollen zijn dezelfde letters achterstevoren: B, E, A, D, G, C, F (bes, es, as, des, ges, ces, fes). Ken je één rijtje, dan ken je dus ook het andere.
Voor de toonsoorten zelf bestaan twee klassieke Nederlandse ezelsbruggetjes. Kruisen: Geef De Aap Een Bord Fissies (G, D, A, E, B, Fis-majeur, met 1 tot 6 kruisen). Mollen: Friese Boeren Eten Alle Dagen Gort (F, Bes, Es, As, Des, Ges-majeur, met 1 tot 6 mollen). Let op het verschil: deze zinnetjes geven de toonsoorten, het rijtje fis-cis-gis geeft de voortekens.
Handig, zolang je de logica erachter snapt. Wie de cirkel alleen uit het hoofd leert zonder te spelen, vergeet hem net zo snel weer.
Tip: Zeg bij elke nieuwe toonsoort hardop de voortekens op terwijl je de akkoorden speelt.
Veelgemaakte fouten en hoe je ze oplost
- Fout: de cirkel memoriseren zonder akkoorden te spelen. Oplossing: speel bij elke nieuwe toonsoort meteen de I, IV en V.
- Fout: alleen naar de voortekens kijken en de mineur vergeten. Oplossing: check altijd ook de parallelle mineur via het slotakkoord.
- Fout: twijfelen tussen enharmonische schrijfwijzen zoals Cis-majeur (7 kruisen) en Des-majeur (5 mollen). Oplossing: schrijf je zelf iets uit, kies dan de notatie met de minste voortekens; die leest het makkelijkst.
- Oefenplan: neem één nieuwe toonsoort per dag, speel de drie hoofdakkoorden en zeg de voortekens hardop.
Verder met muziektheorie
Deze uitleg geeft je de basis om voortekens, akkoordfamilies en transpositie zelf toe te passen. Wil je dit stap voor stap opbouwen, dan vind je in onze cursus muziektheorie videolessen van toonladders tot akkoordanalyse, met printbare oefenschema's en de mogelijkheid om bij iedere les onbeperkt vragen aan de docent te stellen.
Veelgestelde vragen
Wat is een goed ezelsbruggetje voor de kwintencirkel?
De volgorde van de kruisen is F, C, G, D, A, E, B: precies de stappen rechtsom over de cirkel vanaf F. De mollen zijn dezelfde letters achterstevoren: B, E, A, D, G, C, F. Voor de toonsoorten zelf gebruiken veel leerlingen 'Geef De Aap Een Bord Fissies' (kruisen) en 'Friese Boeren Eten Alle Dagen Gort' (mollen).
Wat is de kwint van C?
De kwint van C is G: G ligt zeven halve tonen boven C en vormt zo een reine kwint. Op de kwintencirkel staat G dan ook direct rechts van C, en het G-akkoord is de dominant in C-majeur.
Wat is het nut van de kwintencirkel?
De kwintencirkel laat in één overzicht zien hoeveel voortekens bij elke toonsoort horen, welke akkoorden bij elkaar passen en welke toonsoorten dicht bij elkaar liggen. Dat maakt hem bruikbaar voor het lezen van bladmuziek, het bouwen van akkoordprogressies en het transponeren.
Hoe weet je wat de toonsoort van een stuk is?
Tel de kruisen of mollen aan het begin van de notenbalk en bepaal daarmee de majeurtoonsoort en de bijbehorende parallelle mineur. Kijk daarna vooral naar de slotnoot en het slotakkoord om te zien welke van de twee het is.
Wat betekent de binnenring op de kwintencirkel?
De binnenring toont de parallelle mineurtoonsoorten. Die liggen telkens een kleine terts onder hun majeurtoonsoort en hebben dezelfde voortekens. Zo staat A-mineur in de binnenring direct bij C-majeur.










