Slagpatronen ukelele: de beste patronen voor beginners
Ukelele
Redactie Online Muziek Cursus
Ukelele
06/30/2014
1 min
0

Slagpatronen ukelele: de beste patronen voor beginners

06/30/2014
1 min
0

De beste slagpatronen voor beginners op de ukelele zijn vier downstrokes (D D D D), doorlopende down-ups (D U D U D U D U), het patroon D DU D DU en de island strum (D DU UDU). Ze klinken meteen muzikaal, passen bij de meeste liedjes met vier tellen per maat en bouwen logisch op elkaar voort. Pak een metronoom, zet die op een rustig tempo en oefen elke dag tien minuten. Binnen een week hoor je zelf het verschil in maatvastheid.

Kort samengevat:

  • Begin met vier downstrokes per maat op een rustig tempo, met een losse pols en nog zonder akkoordwissels.
  • Bouw daarna op: doorlopende down-ups, D DU D DU en de island strum.
  • Houd je slaghand altijd in beweging, ook als je een slag overslaat.
  • Korte dagelijkse sessies met een metronoom maken je sneller maatvast dan af en toe een lange sessie.
  • Pas je patroon aan de maatsoort en de stijl van het liedje aan.

Wat is de basis van goed strummen op de ukelele?

Voordat je aan slagpatronen begint, moet je houding kloppen. Houd de ukelele met je onderarm licht tegen je lichaam, met de hals iets omhoog. Sla aan rond de plek waar de hals overgaat in de body. Daar klinkt de ukelele vol en warm; dichter bij de brug wordt de klank scherper en dunner.

De beweging komt uit een losse pols, met je onderarm als rustige steun. Denk aan het afschudden van water van je hand. Een verkrampte pols maakt je slagen hard en je tempo onregelmatig.

Een downstroke (D) sla je van boven naar beneden over de snaren, een upstroke (U) van beneden naar boven. Tel daarbij hardop mee. In een maat van vier tellen tel je "1, 2, 3, 4", en de slagen daartussen zijn de "en"-tellen: "1 en 2 en 3 en 4 en". Downstrokes vallen op de tellen, upstrokes op de "en".

Zo begin je:

  • Pak een C-akkoord (alleen je ringvinger op de derde fret van de A-snaar).
  • Zet de metronoom op 60 bpm.
  • Speel twee minuten lang vier downstrokes per maat, precies op de tel.
  • Let erop dat je pols ontspannen blijft, ook op dit trage tempo.

Je kunt met je wijsvinger of met je duim strummen. De nagel van je wijsvinger geeft een helder, direct geluid; de duim klinkt ronder en zachter. Een vilten plectrum kan ook, maar de meeste ukelelespelers gebruiken hun vingers. Er is geen fout antwoord, kies wat prettig voelt.

Pro-tip: Oefen de eerste dagen zonder akkoordwissels. Focus puur op je slagbeweging. Zodra die vanzelf gaat, is je timing veel makkelijker vast te houden als je akkoorden erbij pakt.

De beste slagpatronen voor beginners, stap voor stap

Hieronder vind je vijf patronen, van simpel naar iets uitdagender. D staat voor down, U voor up. Onder elk patroon staat waar de slagen vallen.

  1. Vier downstrokes: D D D D. Tellen: 1, 2, 3, 4. Leg een licht accent op tel 1, dat geeft richting. Oefen dit tot het volledig automatisch gaat.
  2. Doorlopende down-ups: D U D U D U D U. Tellen: 1 en 2 en 3 en 4 en. Je hand gaat continu op en neer, twee keer zo snel als bij patroon 1. Speel de upstrokes lichter dan de downstrokes, alsof je er losjes doorheen glijdt.
  3. D DU D DU. Tellen: 1, 2 en, 3, 4 en. Op tel 1 en 3 speel je alleen een downstroke; bij de upstroke daarna beweegt je hand wel mee omhoog, maar raakt hij de snaren niet. Dit patroon hoor je in heel veel popliedjes.
  4. De island strum: D DU UDU. Tellen: 1, 2 en, (3) en, 4 en. Het bekendste ukelelepatroon. Het verschil met patroon 2 is dat je de downstroke op tel 3 overslaat. Je hand gaat op tel 3 wel omlaag, maar mist de snaren. Juist die lege plek geeft het patroon zijn veerkrachtige, zomerse gevoel.
  5. Walspatroon voor 3/4: D D D, daarna D DU DU. Tellen: 1, 2, 3, en daarna 1, 2 en, 3 en. Voor liedjes met drie tellen per maat. Geef tel 1 het meeste gewicht.

Bouw elk patroon zo op:

  • Start op de helft van je uiteindelijke tempo.
  • Speel het patroon tien keer foutloos achter elkaar voordat je sneller gaat.
  • Verhoog het tempo daarna in stappen van 5 bpm.
  • Wissel pas van akkoord zodra het patroon zelf geen aandacht meer kost.

Elk patroon leunt op de beweging van het vorige. Wie patroon 2 soepel speelt, heeft de island strum al bijna in de vingers: het is dezelfde beweging, alleen raak je de snaren een paar keer bewust niet.

Hoe voeg je dempen en swing toe?

Dempen, ook wel de "chunk" genoemd, geeft je ritme een percussief accent. Je slaat de snaren aan en legt direct de muis of zijkant van je slaghand op de snaren, zodat het geluid meteen stopt. Je hoort dan een korte "tsjk" in plaats van een akkoord. Dat werkt vooral goed op tel 2 en 4, de backbeat. Probeer maar eens D D D D, waarbij je op tel 2 en 4 zo'n chunk speelt.

De onzichtbare slag is misschien wel de belangrijkste gewoonte die je als beginner kunt aanleren. Je slaghand blijft continu op en neer bewegen, in het tempo van de "en"-tellen, ook op momenten dat je géén snaar raakt. Dat houdt je interne klok actief en voorkomt dat je ritme hapert zodra een patroon een slag overslaat, zoals bij de island strum.

Swing betekent dat je de "en"-slagen iets later speelt. Elk paar down-up klinkt dan als lang-kort in plaats van twee gelijke slagen, een beetje als "dam-da, dam-da". Veel oude ukelele- en jazzliedjes worden zo gespeeld. Oefen het op patroon 2: tel "1 - en, 2 - en" en laat elke upstroke net wat later vallen.

Oefen zo:

  • Oefen dempen apart: speel D D D D en demp telkens op tel 2 en 4.
  • Oefen de onzichtbare slag: speel een maat down-ups waarbij je op tel 3 de snaren niet raakt, maar je hand wel doorbeweegt.
  • Combineer de twee pas als ze los goed gaan.

Pro-tip: Neem jezelf op met je telefoon. Vaak hoor je pas op de opname of je chunk strak op de tel valt of er net naast.

Welke maatsoorten kom je tegen?

De meeste liedjes die je als beginner speelt, staan in 4/4: vier tellen per maat. Alle patronen hierboven behalve het walspatroon zijn daarop gebouwd, en daarom zo breed inzetbaar. Tel 1 is de zwaarste tel, tel 3 de tweede.

Daarnaast kom je regelmatig 3/4 tegen, de walsmaat met drie tellen per maat. Het accent ligt op tel 1: één zwaar, twee licht. Een 4/4-patroon klinkt in 3/4 meteen scheef, omdat het patroon niet meer in de maat past.

Minder vaak kom je 6/8 tegen: zes achtste noten per maat, gevoeld als twee groepen van drie. Speel dan een iets zwaardere slag op tel 1 en tel 4, met lichtere slagen ertussen. Luister altijd eerst naar het liedje zelf om te bepalen in welke maatsoort het staat, voordat je een patroon kiest.

Oefenschema van zeven dagen

Een vast dagelijks ritme werkt beter dan af en toe een lange sessie. Kies elke dag hetzelfde moment en houd de sessie kort en gefocust.

  1. Dag 1 en 2: een paar minuten losse polsbewegingen, daarna tien minuten patroon 1 en 2 met de metronoom op een laag tempo, op één akkoord.
  2. Dag 3 en 4: patroon 3 (D DU D DU). Sluit af met vijf minuten op een simpel akkoordenschema, bijvoorbeeld C, G, Am en F. Die vier akkoorden vormen samen de basis van talloze popliedjes.
  3. Dag 5: voeg de island strum toe en oefen die op hetzelfde akkoordenschema.
  4. Dag 6: speel een heel liedje en wissel per couplet en refrein van patroon.
  5. Dag 7: neem jezelf op, vergelijk met een opname van dag 1 en verhoog het tempo met 5 bpm als het foutloos klinkt.

Meet je vooruitgang concreet: noteer je tempo in bpm, tel hoe vaak je uit de maat valt en luister terug naar je opnames. Dat geeft een eerlijker beeld dan "het voelt al beter". Welke akkoorden je daarbij nodig hebt, vind je in onze artikelen over de ukelele.

Welke fouten maken beginners het vaakst?

  • Te snel beginnen. Een patroon meteen op eindtempo spelen lukt zelden. Ga terug naar de helft van je doeltempo zodra een patroon hapert.
  • De slaghand stilzetten. Wie tussen de slagen stopt, verliest het ritme, vooral bij patronen met een overgeslagen slag zoals de island strum. Houd je hand altijd in beweging.
  • Op de verkeerde plek aanslaan. Te dicht bij de brug klinkt scherp en dun. Rond de overgang van hals naar body klinkt de ukelele het mooist.
  • Upstrokes even hard als downstrokes. Dat maakt een patroon plat en mechanisch. Laat de upstroke bewust lichter klinken. Vaak raak je bij een upstroke vooral de hoge snaren, en dat is prima.
  • Patroon en akkoordwissel tegelijk willen leren. Splits het op: oefen het patroon op één akkoord, oefen de wissel zonder slagpatroon, en voeg ze pas samen als allebei apart goed gaan.

Hoe pas je slagpatronen aan verschillende stijlen aan?

Pop. De meeste popliedjes staan in 4/4 met een regelmatige beat. D DU D DU en de island strum werken hier bijna altijd.

Reggae. Hier valt het accent op de tegentijd. Je speelt korte, gedempte akkoordslagjes op tel 2 en 4 en laat tel 1 en 3 grotendeels leeg. Dat geeft het typische relaxte, "achteroverleunende" gevoel.

Folk en singer-songwriter. Een rustig patroon werkt vaak beter, zoals downstrokes met af en toe een upstroke. De nadruk ligt op tekst en melodie, dus houd het ritme ingetogen. Tokkelen in plaats van strummen past hier ook goed.

Swing en oude ukeleleliedjes. Speel de down-ups met swing (lang-kort) en gebruik de chunk op tel 2 en 4.

Ska en punk. In ska speel je korte, droge slagen op de "en"-tellen. In punk juist snelle, stevige downstrokes met veel energie.

De vuistregel: luister eerst naar het origineel. Waar ligt de nadruk, waar valt de demping, en hoeveel slagen hoor je per tel? Bouw je patroon daaromheen.

Waar komt de ukelele vandaan?

De ukelele stamt af van kleine Portugese snaarinstrumenten, zoals de machete uit Madeira. Portugese immigranten brachten die eind negentiende eeuw mee naar Hawaï, waar het instrument zijn eigen naam en speelstijl kreeg. Vanaf ongeveer 1915 werd de ukelele populair op het Amerikaanse vasteland en in de jaren twintig was hij daar een rage. Daarna veroverde hij ook Europa, en tegenwoordig is hij een van de populairste instrumenten om mee te beginnen.

Veelgestelde vragen

Welk slagpatroon moet ik als eerste leren op de ukelele?

Begin met vier downstrokes op de tel, en daarna doorlopende down-ups. Op die twee bewegingen bouwen alle andere patronen voort, ook D DU D DU en de island strum.

Wat is de island strum?

De island strum is het bekendste ukelelepatroon: D DU UDU, geteld als 1, 2 en, (3) en, 4 en. Je slaat alle down-ups, behalve de downstroke op tel 3. Je hand beweegt daar wel, maar raakt de snaren niet.

Hoe lang duurt het om een slagpatroon onder de knie te krijgen?

Vier downstrokes en doorlopende down-ups heb je met dagelijks oefenen meestal binnen een paar dagen onder de knie. Voor de island strum met akkoordwissels staat vaak een paar weken, als je langzaam begint en met een metronoom oefent.

Wat is het verschil tussen een down- en een upstroke?

Een downstroke sla je van boven naar beneden over de snaren, een upstroke van beneden naar boven. Downstrokes vallen op de tellen en klinken zwaarder; upstrokes vallen op de "en"-tellen en klinken lichter.

Waarom klinkt mijn slagpatroon niet strak?

Meestal omdat je slaghand stilvalt tussen de slagen. Houd je hand continu op en neer bewegen, ook als je een snaar overslaat, en oefen met een metronoom op een tempo waarop het wél lukt.

Verder met de ukelele

Een simpel patroon dat strak op de tel zit, klinkt muzikaler dan een ingewikkeld patroon dat wiebelt. Begin dus klein: een paar patronen, één akkoordenschema, één week. Pas ze daarna toe op liedjes die je al kent, zodat je leert welk patroon waar past. Wil je het stap voor stap leren, met akkoorden, slagpatronen en liedjes in een logische volgorde? In onze cursus ukelele leren spelen doorloop je videolessen in je eigen tempo en kun je bij iedere video je vragen aan de docent stellen.

Reacties
Categorieën